Effectief leren (boek).

1 Effectief leren in de les

1.1 Sleutelbegrippen bij het vormgeven van effectief leren

Leren: het koppelen van nieuwe informatie aan reeds aanwezige kennis
Effectief leren: leer- en onderwijsstrategieën die het proces van leren zo effectief mogelijk maken.

Sleutelbegrippen:

  1. Een heldere structuur in de opbouw van de lesstof
  2. Het juiste niveau van de leerstof
  3. Betekenis geven aan de leerstof
  4. Individuele aanspreekbaarheid
  5. Zichtbaarheid van leren/denken
  6. Aandacht voor nieuwsgierigheid en motivatie

Een hardwerkende leraar is geen garantie voor effectief lerende leerlingen. Leren moet zichtbaar worden gemaakt (John Hattie, Visible Learning).

1.1.1 Betekenis geven

Een leerdoel heeft in het beste geval een directe betekenis en waarde in het leven van de leerling.

Vier vragen van Perkins.

1.1.2 Individuele aanspreekbaarheid

Actief versus passief leren: actief met de stof bezig zijn is beter dan passief luisteren.

1.1.3 Zichtbaarheid

Zorg dat je tijdens de les zicht hebt op het leren van leerlingen. Bijvoorbeeld: Formatief toetsen.

1.1.4 Motivatie

Intrinsieke motivatie versus Extrinsieke motivatie.

Factoren voor goed leergedrag van leerlingen:

1.2 Leren en leeractiviteiten

Leervormen en Leeractiviteiten

1.3 Vaardigheden en competenties eigen maken versus kennis

1.3.1 Vaardigheden

Vijf typen vaardigheden:

  1. Cognitieve vaardigheden
  2. Motorische vaardigheden
  3. Affectieve vaardigheden (reflectieve vaardigheden)
  4. Sociale vaardigheden
  5. Metacognitieve vaardigheden

Declaratieve kennis versus Procedurele kennis: weten versus kunnen.

Drie stappen voor het aanleren van vaardigheden (Marzano):

  1. Voordoen
  2. Eigen maken
  3. Automatiseren

1.3.3 Competenties

Competentie versus vaardigheid.

1.4 Leren sturen

Docentgestuurd leren als uitgangspunt van dit boek.

1.5 Achtergronden bij effectief leren en leeractiviteiten

Visible Learning

1.5.1 Effectieve strategieën en leeractiviteiten

John Hattie: "Niet wat leraren doen doet ertoe, maar wat zij leerlingen laten doen."

1.5.2 Declaratieve en procedurele kennis

Declaratieve kennis versus Procedurele kennis

1.5.3 Effectief leren en constructivisme

Docentgestuurd leren

2 Directe instructie

2.1 Effectief leren en directe instructie

2.1.1 Effectief leren en directe instructie: wat is het niet?

Directe instructie is niet:

  • Eénrichtingsverkeer van de leraar naar de leerlingen.
  • Individueel schriftelijk onderwijs.

In beide gevallen heeft de leraar geen of weinig zicht op het leerproces van de leerlingen.

2.1.2 Effectief leren en directe instructie: wat is het wel?

Directe instructie is wel:

  • Belangstelling wekken, doelen en richtlijnen geven.
  • Nieuwe stof presenteren met voorbeelden.
  • Gestructureerde oefening en begeleiding.
  • Directe feedback.
  • Zelfstandige oefening.
  • Afronding.

Zie ook Docentgestuurd leren.

2.2 Fasen in de les

Directe instructie heeft zes Lesfasen.

2.3 Kenmerken van een lesontwerp

Vier kenmerken voor het ontwerpen van een les:

  • De kern
  • Leerlingtaal
  • Betekenisvolheid
  • Aansluiten bij voorkennis en haalbaarheid

Een goede les kan antwoord geven op de vier vragen van Perkins.

2.4 De uitvoering van de les

Bespreken van huiswerk kan het best in de les, tijdens zelfstandige oefening (fase 5 van Directe instructie). Hierbij kan ook de Flipped Classroom worden toegepast.

Bespreking van de zes Lesfasen.

3 Vragen stellen

3.1 Doel en inhoud van vragen

Vragen stellen heeft tot doel:

  • het denken van de klas zichtbaar te maken
  • nieuwe informatie laten aansluiten op voorkennis
  • het effectief verankeren van nieuwe informatie

Orde van leren: lagere orde versus hogere orde.

Kennis kan op verschillende manieren in het langetermijngeheugen worden vastgelegd:

  • door een krachtige emotionele lading
  • door herhaling
  • door het verbinden met al aanwezige kennis

3.2 Hoe stelt de docent een vraag?

Stel vragen waar je alle leerlingen bij betrekt. Alle leerlingen moeten het idee hebben dat ze de beurt kunnen krijgen. Dit bereik je door leerlingen denktijd te geven voordat je een antwoord verwacht. Geef leerlingen bijvoorbeeld de tijd om voor zichzelf een antwoord op te schrijven (met kernwoorden). Geef daarna iemand de beurt, of laat leerlingen hun antwoorden eerst met elkaar bespreken. Dus: vragen stellen aan alle leerlingen in de klas, niet aan één persoon.

Vier criteria bij het stellen van een vraag:

  1. Individuele aanspreekbaarheid
  2. Veiligheid
  3. Structuur in de vraag
  4. Wachttijd

3.3 Op zoek naar een antwoord

Zorg dat alle leerlingen voldoende tijd hebben om voor zichzelf een antwoord te formuleren en zorg dat alle leerlingen evenveel kans maken om de beurt te krijgen.

Drie vuistregels bij het reageren op antwoorden:

  1. Stilte/wachttijd inbouwen
  2. Doorspelen van antwoorden
  3. Waarderen
    Hou de positieve waardering/feedback zo specifiek mogelijk.

3.4 Denken zichtbaar maken

Cognitieve vormgevers helpen het denken zichtbaar te maken.

4 Een begin maken met samenwerkend leren

4.1 Waarom samenwerkend leren?

Drie argumenten om samenwerkend te leren:

  1. Het leidt tot effectief leren.
  2. Het organiseert de onderwijsleersituatie.
  3. Het beantwoordt aan een maatschappelijke vraag.

4.2 Wat verstaan we onder samenwerkend leren?

Gebaseerd op de term "cooperative learning", vrij vertaald naar "samenwerkend leren" (Johnson en Johnson).

"Samen leren" is iets anders dan "bij elkaar zitten".

4.3 Sleutelbegrippen voor succesvol samenwerkend leren

De volgende vijf sleutelbegrippen maken de kans op succes van samenwerkend leren het grootst:

  1. Positieve wederzijdse afhankelijkheid
    Alleen met de inbreng van alle groepsleden kan een opdracht succesvol worden gemaakt. Dit kan met zowel taakafhankelijkheid als rolafhankelijkheid.
  2. Individuele aanspreekbaarheid
    Alle groepsleden voelen zich verantwoordelijk voor de gemaakte opdracht. Bijvoorbeeld omdat ze weten dat zij straks degene kunnen zijn die de opdracht moet uitleggen.
  3. Directe interactie
    Alle groepsleden moeten direct met elkaar kunnen communiceren. Bijvoorbeeld door een cirkelopstelling.
  4. Sociale vaardigheden
  5. Reflectie op inhoud en leerproces

4.4 Drie basisstructuren bij samenwerkend leren

Drie structuren om leerlingen met elkaar te laten samenwerken:

  1. check-in-duo's
    Leerlingen checken hun individueel gemaakte opdrachten met elkaar.
  2. denken - delen - uitwisselen
    Leerlingen denken individueel over een antwoord op een vraag, delen dat in een tweetal en vervolgens wisselen de tweetallen hun antwoorden met elkaar uit (waarbij de leraar een tweetal de beurt kan geven).
  3. eenvoudige experts
    Leerlingen onderzoeken binnen hun groep elk een deel van de opdracht en worden "expert" op dat deel. Ze delen hun resultaten in de groep en combineren het voor de eindopdracht.

4.5 Regelmatig samenwerkend leren met je groep

Zie boek voor achttien voorbeelden van samenwerkend leren.