Lesfasen.

Een les bestaat doorgaans (bij directe instructie) uit zes lesfasen:

  1. Aandacht richten
  2. Uitleg geven
  3. Controle op begrippen en vaardigheden
  4. Instructie geven voor zelfwerkzaamheid
  5. Zelfstandige oefening
  6. Afsluiting

Aandacht richten

Aandacht richten betekent verbinding maken in de driehoek leerling - leerstof - leerkracht. Goede aandachtsrichters zijn direct gericht op het lesdoel (in plaats van "wachten tot het stil is" of "je stem verheffen om het stil te krijgen").

Verder richt je aandacht op het activeren van voorkennis, bijvoorbeeld met de methode Bekend - Benieuwd - Bewaard.

Het lesdoel moet voor zowel de leraar als de leerling duidelijk zijn en passen binnen de context van het thema waar je in een lessenserie mee bezig bent. Als leerlingen de reden kennen achter het halen van een lesdoel (anders gezegd: wat hebben ze er zelf aan?) zijn ze gemotiveerder om dat doel te behalen.

Uitleg geven

Voor het geven van effectieve uitleg moet je rekening houden met:

  • duur van de uitleg
    niet langer dan 10-15 minuten, afgewisseld met andere activiteiten
  • actief luisteren
    vragen formuleren en de stof begrijpen tijdens het luisteren, vijf adviezen: oriƫnteren, uitleg van de kern, gewenst gedrag expliciteren, vragen van leerlingen, aantekeningen laten maken
  • zichtbaar maken van inhoud
    gebruik figuren, schema's of zelfs iets tastbaars
  • denkstappen expliciteren
    benoem expliciet alle denkstappen in de uitleg
  • reageren op de klas
  • aandacht vasthouden
    neem een actieve houding aan, loop door de klas

Controle op begrippen en vaardigheden

Zes criteria van een goede vraagtechniek:

  1. individuele aanspreekbaarheid: willekeurig de beurt geven. Het beste is als de leerling antwoord moet geven; een antwoord als "ik pas" of "ik weet het niet" volstaat niet.
  2. zichtbaarheid: "vertel in eigen woorden ..."
  3. denktijd: geef de tijd om een antwoord op de vraag te formuleren
  4. veiligheid: fouten maken mag, je hoeft niet altijd het antwoord te weten
  5. het antwoord gebruiken: ga verder in op goede/foute antwoorden
  6. verwerkingsniveau: parate kennis, begrip, integratie, creatief gebruik

Instructie geven voor zelfwerkzaamheid

Leerlingen hebben tijd nodig om zelf met de stof aan de slag te gaan, zodat ze deze kunnen verwerken. Dit kan individueel of samen.

Een volledige instructie voldoet aan zes punten:

  1. Hoeveel tijd is er beschikbaar?
    Geef de beschikbare tijd aan, verdeel opdrachten in twee groepen: opdrachten die in de les af moeten en opdrachten die huiswerk zijn (klastaak/thuistaak).
  2. Hoe moet er gewerkt worden?
    Geef praktische tips voor het aanpakken van opdrachten.
  3. Waaruit bestaat de hulp?
    Geef aan hoe leerlingen hulp kunnen krijgen. Bijvoorbeeld eerst bij de buurman/-vrouw en daarna pas bij de leraar.
  4. Wat gebeurt er met de uitkomsten?
    Geef aan hoe de opdrachten besproken worden. Bijvoorbeeld zelf nakijken, met je buurman/-vrouw of klassikaal.
  5. Wat moet er gebeuren als men klaar is?
    Geef aan wat men na het maken van de opdrachten kan doen. Bijvoorbeeld iets voor jezelf, of iets verdiepends.
  6. Uitleggen van de eigenlijke opdracht.

Zelfstandige oefening/begeleiding

Een invulling van begeleiding door de leraar is het Drierondjesmodel.

Met het GIP-model kun je leerlingen trainen om zelfstandig te werken.

Afsluiting

De leraar controleert of het lesdoel is behaald en door de leerlingen is begrepen. De afsluiting kan ook worden gebruikt om met de leerlingen nog eens de gemaakte afspraken na te lopen en te evalueren of de leerlingen zich daaraan hebben gehouden.

--

Area: šŸ§‘ Teach